recensieRomans over Vincent van Gogh
Het tragische leven van Vincent van Gogh, één van Nederlands grootste schilders, heeft altijd tot de verbeelding gesproken. Hartstocht, waanzin, armoede, miskenning en zelfmoord, elementen uit het leven van Vincent die zo uit een roman lijken te komen. Verschillende schrijvers hebben inderdaad Vincent als uitgangspunt voor hun roman genomen. Een aantal voorbeelden.
Irving Stone: Het leven van Vincent van Gogh
‘Het leven van Vincent van Gogh’ is door Irving Stone geschreven in 1934. Daar schrok ik eerst van, straks was het een boek in zo’n ouderwetse taal. En waar ik vooral bang voor was toen ik het jaar van uitgave zag, was dat de akelige gebeurtenissen in Vincents leven of met de mantel der liefde bedekt zouden worden of zodanig geromantiseerd dat er niets of niet veel waarachtigheid over zou blijven. Maar niets van dat alles. Het boek van Irving Stone is na bijna tachtig jaar meer dan goed leesbaar. Ik heb ervan genoten. Stone brengt Vincent tot leven en maakt van hem een geloofwaardig mens. Vincents aanvallen van krankzinnigheid worden respectvol en met mededogen beschreven, de kraaien die om zijn hoofd vliegen vind ik een prachtige metafoor. Het boek van Stone wordt omschreven als een biografische roman. Dit betekent dat de schrijver zich nogal wat vrijheid veroorlooft. Hij verzint de dialogen, laat gebeurtenissen uit het leven van Vincent die hij onbelangrijk vindt weg, geeft zijn eigen interpretatie van de feiten en verzint er zelfs gebeurtenissen bij. Als lezer moet je wel bereid zijn daar in mee te gaan.
Alyson Richman: De muze van Vincent
De laatste zeventig dagen van zijn leven, woonde Vincent in
Auvers-sur-Oise, een dorp in het noorden van Frankrijk. Vincent verruilde in de zomer van 1870 het krankzinnigengesticht in
Saint Remy voor de rust en natuur in Auvers. Hij werd onder de hoede genomen van
Dr. Paul Gachet die in deze maanden verantwoordelijk was voor Vincents medische zorg. Gachet rekent veel schilders tot zijn kennissen en/of patiënten. De dochter van Gachet,
Marguerite, wordt op slag verliefd op de roodharige schilder. Zij is diegene die aan het woord is in dit boek, we zien het verhaal dus door haar ogen. Al snel blijkt uit haar relaas dat het huishouden van Gachet een vreemde is. Marguerite leidt een erg geïsoleerd bestaan, haar vader staat nauwelijks toe dat ze het huis verlaat. De moeder van Marguerite en haar broertje Paul is overleden toen de kinderen nog erg klein waren. Dr. Gachet stelt na de dood van zijn vrouw een gouvernante voor de kinderen aan, madame Chevalier. Marguerite begrijpt dat de band tussen haar vader en de gouvernante dieper gaat dan ze doen voorkomen, de twee lijken elkaar al jaren te kennen en regelmatig brengt madame Chevalier de nacht door in de slaapkamer van de dokter. Wanneer Marguerite en Paul te oud zijn voor een gouvernante, blijft madame Chevalier. Haar dochter, Louise-Josephine, komt bij hen wonen. Bang voor dorpsroddel mag niemand dit echter weten, het meisje mag het huis daarom niet uit en wanneer er bezoek komt wordt ze naar boven gestuurd. Vincent is dus een welkome afleiding voor Marguerite. Vincent schildert Marguerite twee maal, één keer in de tuin en één keer achter de piano. Een geheime relatie volgt.
Alyson Richman kwam op het idee voor dit boek na een bezoek aan het Metropolitan Museum of Art in 1999. Hier werd op dat moment de privécollectie van Paul Gachet tentoongesteld. Richman raakte gefascineerd door de Gachets die een erg teruggetrokken bestaan leidden. Pas toen het huis in de verkoop kwam, kwamen de mensen in het dorp erachter dat er naast Marguerite nog een jonge vrouw in het huis had gewoond. Het meest verbaasde de schrijfster zich over een voetnoot in de catalogus bij de tentoonstelling. Hierin staat dat het veilen van het doek ‘Mademoiselle Gachet aan de piano’ in opdracht van haar broer Paul heeft plaatsgevonden, vermoedelijk uit jaloezie omdat Van Gogh hem nooit geschilderd heeft. Het schilderij was een cadeau van Vincent aan Margruerite en had voor de veiling veertig jaar op haar slaapkamer gehangen. Deze feiten heeft Richman als uitgangspunten van haar roman genomen. Een heel interessant concept dat heeft geleid tot een onderhoudende roman. Een roman waar ik toch iets meer van verwacht had, iets meer diepgang.
Dick van den Heuvel: De kraaien van Van Gogh
Gijsbert Versteegh is een gepensioneerde bibliothecaris die als suppoost werkzaam is in het Van Goghmuseum in Amsterdam. Op een zondagochtend, nog voor het museum zijn deuren voor het publiek geopend heeft, vindt Gijsbert het lichaam van Arend-Jan Frankendael, een kunsthandelaar in ruste. Gijsbrecht besluit zijn eigen onderzoek naar deze moord in te stellen, het officiële politieonderzoek ligt in handen van de jonge rechercheur Susan Scheffer. Een toeval zet Gijsbert op het spoor van een man die denkt dat hij Vincent van Gogh is. Hij gelooft dat hij meer dan honderd jaar geslapen heeft in een korenveld met kraaien. De brieven die hij schrijft aan zijn broer Theo, verraden een enorm schuldbesef. Gijsbert reist af naar Frankrijk om de getroebleerde geest te ontmoeten. Susan, die langzamerhand een bepaalde genegenheid voor de suppoost heeft opgevat, reist hem achterna.
De kraaien van Van Gogh is prachtig geschreven. Er staan juweeltjes van zinnen in. De personages zijn levensecht, sympathiek. Het verhaal is onderhoudend, niet superspannend. Geen achtervolgingen en bloedvergieten maar dat is juist een deel van de charme. Ben je een liefhebber van het werk van Vincent van Gogh en heb je je een beetje verdiept in zijn leven, dan zul niet veel nieuwe feiten over het leven van de schilder tegenkomen in dit boek. Desalniettemin een heerlijk boek!
Judith Perrigon: Hij was mijn broer
We weten allemaal dat
Theo van Gogh, de jongere broer, een erg belangrijke rol in het leven van Vincent heeft gespeeld. Theo van Gogh was kunsthandelaar en geloofde in Vincents schilderijen en onderhield hem jarenlang financieel. Weinigen weten hoe het Theo is vergaan na de dood van zijn geliefde broer Vincent. Het boek ‘Hij was mijn broer’ van Judith Perrigon vertelt dit verhaal. Het begint op de dag van de begrafenis van Vincent, op 30 juli 1890, het eindigt zes maanden later met de dood van Theo op 25 januari 1891. In eerste deel van het boek is Theo aan het woord. Hij vertelt dat hij zich geamputeerd voelt nu zijn broer niet meer leeft. Hij probeert het werk van Vincent onder de aandacht van het publiek te brengen door een overzichtstentoonstelling te organiseren maar zijn gezondheid wordt steeds slechter. In de laatste hoofdstukken is Theo niet meer de verteller maar lezen we over de laatste weken van zijn leven uit zijn medisch dossier: Theo is ook ten prooi gevallen aan de waanzin. Hij sterft in verzorgingstehuis in Nederland.
Judith Perrigon heeft voor het schrijven van dit boek twee jaar lang research gedaan. Hierbij had ze hulp van de beste specialisten van het Van Gogh museum en toegang gekregen tot brieven, memoires van dokter Gachet en Emile Bernard en het dagboek van Theo’s vrouw. Toch is het boek geen kusthistorisch verslag maar een echte roman, zoals de schrijfster het zelf uitdrukt ‘heeft ze niets verzonnen maar alles verbeeld’. ‘Hij was broer’ is een mooi, sober document die mijn beeld van de broers van Gogh enigszins heeft bijgesteld. Zeker de moeite waard.